Langs een lommerrijke weg in Vorden staat het huis van Reindje Groot Jebbbink. Links en rechts staan boerderijen, iets verderop kasteel Den Bramel en landgoed Enzerinck. Je kijkt er van weiland naar akker, met houtwallen als groene randen en moddersporen van tractorbanden. Ze is net 84 geworden, maar nog zo fit als een hoentje. Nog niet zo lang geleden overleed haar man. De laatste maanden heeft ze hem als mantelzorger liefdevol verzorgd. Maar het is volgens haar goed zo. Het huis waar ze nu woont staat op steenworp afstand van Sofiahoeve, de boerderij die ze jarenlang runde. Met de zogenaamde ‘rood-voor-rood-regeling’, bedoeld om het landschap te verfraaien, heeft de familie de leegstaande schuur afgebroken in ruil voor een nieuw huis. De woonkamer, is net als het erf waar het huis op staat, tot in de puntjes verzorgd. Familiefoto’s aan de muur, kleindochters, de hond. Ze heeft zich voorbereid op ons gesprek, de foto’s liggen klaar.

Eerste boerderij
“Ik ben geboren in Laren, Gelderland, in buurtschap De Wildenborg. Een kleine gemeenschap tussen Lochem en Vorden. Mijn eerste herinneringen zijn van net na de oorlog. We woonden met drie gezinnen op één boerderij: mijn ouders, grootouders, oom en tante en hun kinderen. Twaalf mensen onder één dak. Opoe was de baas, wat voor mijn moeder niet altijd gemakkelijk was. Mijn vader was molenaar. Zijn broer nam de boerderij over, maar mijn vader had andere plannen. In 1952 liet hij in Barchem een huis bouwen en begon een molenaarsbedrijf in graan, hout en kolen.
We verhuisden met vier kinderen, later kwamen er nog twee bij. Ik was de derde. We hadden het goed: niet rijk, niet arm, maar altijd werk en koffie voor wie langskwam. Na de lagere school ging ik naar de huishoudschool in Borculo. Elke dag fietste ik tien kilometer door weer en wind. Dat hoorde er gewoon bij. Voor meisjes als ik was dat de gebruikelijke route: daarna ging je werken in de huishouding. “Mijn vader had niets met de kerk, maar mijn moeder wel. En ook ik ging trouw naar de kerk, de zondagsschool en later naar de catechisatie. Toen de dominee eens vroeg waarom mijn vader nooit kwam, zei hij: “Al dat volk voor in de kerk zit alleen te bedenken hoe ze een ander morgen kunnen bedriegen.” Als kind vond ik dat moeilijk, maar het typeerde hem: zelfstandig, nuchter, met eigen overtuigingen. Later begreep ik hem beter.”
Boerinnenleven
“Na de huishoudschool ging ik werken, eerst bij een gezin in Barchem en later bij een notaris in Lochem. Dat was een modern huis, met centrale verwarming en stromend water. Het was een hele verandering. Op zondagmiddag gingen we vaak fietsen, er was nog geen televisie of disco. Tijdens zo’n tocht kwam ik drie jongens tegen; met één van hen raakte ik aan de praat. Dat was Bennie. Een paar weken later zagen we elkaar op het Barchems feest en vanaf toen hadden we verkering. Ik was zestien, hij zeventien, een boer uit de buurt. Toen we vijf en een half jaar verkering hadden trouwden we. Ik had eerder nooit gedacht dat ik boerin zou worden; bij de notaris had ik schoon werk, een modern huis en vrije avonden. Boerin worden betekende vroeg op, koeien melken en nooit vrij. Maar ik was verliefd, en juist die jaren als boerin bleken later de mooiste van mijn leven. Toen ik trouwde verhuisde is dus naar de boerderij van Bennie. Van centrale verwarming naar een kolenkachel, van een toilet naar een houten plank met krantenpapier ernaast. Van schoon werk naar koeien melken met de hand, om zes uur ’s ochtends. Ik moest alles leren: melken, voeren, omgaan met de dieren. In de keuken stond een kolenkachel die ik ’s ochtends aanmaakte met zelf gekliefde houtjes.”


Familie
“In het begin woonden we nog met mijn schoonouders op het erf. Zij waren van de oude stempel: werken, niet zeuren, doorgaan. Er werd niet over gevoelens gesproken, het werk ging voor alles. Mijn schoonvader was wel anders: we spraken af dat we op zondag om de beurt mochten uitslapen, iets heel bijzonders toen. Melken, voeren, eieren rapen – alles ging met de hand. Later hadden we duizend kippen, in oude schuurtjes aan elkaar gebouwd. Als vrouw werkte je mee zonder dat iemand het zo benoemde. Je was boerin, moeder, kok, schoonmaakster en boekhouder tegelijk. Toen ik vijf maanden zwanger was, stond ik nog op de hooizolder om hooi aan te geven. Dat vond niemand raar; zwangerschapsverlof bestond niet. Als boerin gaat het werk altijd door: kinderen krijgen én het bedrijf draaiende houden. Toen mijn kinderen ouder werden, wilde schoonvader dat zij ook meewerkten, maar dat heb ik tegengehouden. Bennie had zijn leven lang rugklachten van het zware werk. Dat gunde ik mijn kinderen niet.”

“Ook in deze tijd hoorde het geloof er gewoon bij, maar anders dan vroeger thuis. We gingen uit gewoonte naar de kerk, al zongen ze over rust terwijl wij die niet kenden. Voor mij werd geloven iets persoonlijks: goed leven en je eigen vorm vinden. Bennie was niet kerkelijk en ik ook steeds minder. Ik bleef alleen lid, omdat ik vond dat een mens niet als een hond begraven moest worden. Maar “vrede op aarde” met kerst heb ik nooit meer gezongen.”

Boerenbedrijf
“In de loop der jaren veranderde het boerenwerk. We begonnen ooit met tien koeien, een paar varkens en kippen, en deden alles met paarden. Pas in 1969, toen onze dochter werd geboren, kochten we de eerste trekker. Bennie hield van paarden, werkte ermee en fokte ze ook, maar de tijd haalde het boerenleven in. Er kwamen melkquota, de eis dat je een melktank moest aanschaffen in plaats van melkbussen. Dat kostte veel geld, zeker voor ons, met een relatief klein bedrijf. En door Bennies rugklachten stopten we in de jaren zeventig met melken.
We gingen over op stiermesterij, eerst met tachtig stieren, later meer. Het was hard werken, maar we konden ervan leven. Anderhalf jaar werk je met zo’n beest: opfokken, verzorgen, voeren. Dertig stuks tegelijk. En dan lever je ze af. Op een dag hadden we een hele lading afgeleverd bij de slachterij. De volgende dag ging de fabriek failliet. We konden fluiten naar ons geld. Ik begon helemaal te beven toen ik het hoorde. Hoe moesten we nieuwe kalveren kopen als we niet betaald werden voor de vorige? We zijn daarna overgestapt op kalveren voor rosévlees, op contract. Maar uiteindelijk deden we mee aan de regeling rood-voor-rood. De stallen gingen plat, en op die plek bouwden we een huis. Daarmee kwam er een einde aan het boerenleven zoals ik het kende.”
“Als ik terugkijk, denk ik dat vrouwen toen dubbel zo hard werkten als nu. We hadden geen machines, geen vrije tijd, geen opvang. In de stad zaten vrouwen thuis, wij werkten op het land én in huis. Niemand sprak erover, maar we telden wel mee. Ik voelde dat ik iets bijdroeg, deel uitmaakte van iets groters. Nu is het leven makkelijker, maar soms ook leger. Toen werkte je met je handen en zag je elke dag het resultaat. ”



“Na het boerenbedrijf veranderde mijn leven, maar stil was het niet. Er bleef altijd wat te doen: het land, de paarden, de kinderen, later de kleinkinderen. Toen Bennie ziek werd, zorgde ik voor hem, zoals ik altijd had gezorgd. Eerst voor zijn rug, later toen hij slecht ging zien en uiteindelijk toen hij dement werd. Toen hij stierf, vond ik dezelfde rust die op zijn gezicht lag. Mensen vragen me weleens wat de mooiste tijd van mijn leven is. Dan zeg ik: toen ik boerin was. Toen ik werkte, meetelde en midden in het leven stond. We hebben hard gewerkt, maar we hadden elkaar en dat is misschien wel het belangrijkste wat een mens kan bezitten.”
Claske jij hebt weer zo’n mooi verhaal gemaakt. Ieder mens is een verhaal dat zie je maar weer. Hartelijke groet, Mady Schoenmaker
LikeLike