‘Tussen stal en stilte’

Aan het eind van het Brabantse dorpje Haghorst staat het boerenbedrijf van de zoon van Lien Hesselmans (93). De auto’s staan keurig op het ruime terrein, een deur van een loods staat open. Hier staat een grote vrachtwagen voor het transport van varkens. Voor de deur van het woonhuis staan beelden van varkens en ook de vensterbank is ermee versierd. Een deel van de loods is verbouwd tot Liens woning en grenst aan de akkers. De mais is net van het land gehaald. Lien is haar hele leven blijven werken. Voor een boerin hoorde dat erbij: meedraaien op het land en in de stal, zorgen dat het bedrijf bleef draaien. Niet uit keuze of emancipatie, maar omdat het zo hoorde. Toch maakte dat haar leven, achteraf gezien, opmerkelijk zelfstandig. Vriendelijk lachend opent ze de voordeur, zegt dat ze nog even koffiedrinkt met een vriendin. Op tafel ligt al een aantal foto’s klaar.

Brabantse boerin
“Mijn ouderlijk huis stond in Oisterwijk. Ik was de oudste van negen kinderen en de enige die nu nog leeft. We groeiden op op een heel gewone boerderij. Acht hectare grond, met koeien, varkens en kippen. Er was altijd werk en ik hielp al op jonge leeftijd mee. Ik stond liever buiten op het land dan in huis. Vader bepaalde, moeder vond alles goed. Zo leerde ik zwijgen, gehoorzamen en doen wat nodig was. Bij mijn eerste herinnering zie ik de kleuterschool voor me. Ik was vier, we prikten figuren uit karton: een eend of een duif. De nonnen waren streng, nooit gezellig. In Oisterwijk had je ook veel arme gezinnen en achterbuurten. Arbeiderskinderen mochten thuis vaak meer, en haalden daardoor ook meer streken uit op school. Ze trokken bijvoorbeeld de kap van de zusters af. Ik keek ernaar, maar deed natuurlijk niet mee. Als je op school iets uitvrat dan kreeg je dat thuis ook nog eens op je dak. Ik hield me daarom stil. Straf heb ik nooit gehad.”

Genoeg te eten
“De Tweede Wereldoorlog brak uit toen ik acht jaar was. Alles heb ik meegemaakt. Soms moesten we weg als er afweergeschut kwam, dan gingen we naar familie achter ons huis. Ik ben vaak bang geweest. Ik moest ook oppassen op mijn jongere broertje, terwijl ik zelf nog een kind was. Wat ik me vooral herinner, is dat de Duitsers kwamen en dat we alles moesten afstaan: melk, vlees, graan. Wij mochten maar een beetje zelf houden. Toch hadden wij als boeren genoeg te eten, in tegenstelling tot mensen in de stad. Wij hadden geen honger, maar we zagen wel hoe de oorlog alles veranderde.


Vervolgopleiding
“De huishoudschool in Oisterwijk had een slechte naam, er was altijd heibel. Het onderwijs was er slecht geregeld en de sfeer was niet goed. Daarom regelde het hoofd van de school dat ik samen met andere leerlingen wat langer op de lagere school kon blijven. We kregen naai- en kniplessen van hem. Uiteindelijk ging ik naar de huishoudschool in Udenhout, die stond beter aangeschreven. Daar leerde ik koken, naaien en hoe je een gezin moest runnen. In die tijd was de huishoudschool voor veel boerendochters het eindpunt. Een voorbereiding op een leven dat vooral in het teken stond van gezin en plicht. Als ik niet naar school ging was ik op het erf te vinden. Of hielp ik buitenshuis: in de melkfabriek en bij boeren in de buurt. Er was altijd wel ergens werk te doen. Ik was liever buiten dan binnen en verdiende zo mijn eigen geld.”

Katholiek en liefde
“Het geloof speelde een belangrijke rol in ons gezin. In Brabant ging iedereen naar de kerk, dat was vanzelfsprekend. Zondag was er geen discussie: we gingen. Ik geloofde toen ook echt. Toen ik ouder werd en hoorde over wat er allemaal mis was met priesters en in de kerk, heb ik het geloof van me afgeschoven. Voor mij voelde het meer als dwang dan als troost. Mijn ouders bleven naar de kerk gaan, maar ik niet meer. Rond mijn 21e ontmoette ik Harry. Het was in die tijd heel normaal dat mensen uit de buurt langskwamen voor een potje kaarten. Harry kwam met zijn kameraden. Na die eerste ontmoeting zagen we elkaar vaker. Harry stuurde mijn broers en zussen met een smoes de deur uit, om met mij alleen te zijn. Hij werkte bij de fabriek en later bij de kruidenier.

Dat we gingen trouwen was een logisch vervolg. Geen grootse gebaren, geen bloemen of mooie woorden. We spraken gewoon een trouwdatum af, dat was genoeg. Ik vond het goed zo, het hoefde voor mij niet anders. Voor veel vrouwen betekende trouwen ook het einde van het werken buitenshuis. In fabrieken en bij de overheid gold nog het huwelijksontslag. Maar op het platteland bleef je meewerken.”

Hard werken
“Na ons trouwen huurden we een klein boerderijtje. Harry was als vertegenwoordiger altijd op pad. Thuis zette hij kalveren in de stal, paarden en soms vee dat weer verkocht werd. Hij bracht het aan, maar de zorg ervoor was voor mij. Melken, voeren, sjouwen met zakgoed, alles kwam letterlijk op mijn schouders terecht. Hij was er zelf nooit, en het werk hield nooit op. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat was er iets te doen: koeien die uitgebroken waren, kalveren die gevoerd moesten worden, zakken meel die versjouwd moesten worden. De kinderen groeiden er tussendoor op. Ze gingen hun eigen weg, en ik had geen tijd om erbij stil te staan. Ik klaagde niet hoor, ik deed wat er moest gebeuren. Eén keer, midden in de nacht, hoorde ik de kalveren. Ze waren uitgebroken. Normaal sprong ik meteen mijn bed uit om erachteraan te gaan. Maar die nacht bleef ik liggen. ‘Laat hem nu maar eens,’ dacht ik. En zo ging Harry, in zijn ondergoed, de straat op, achter twintig kalveren aan die overal verspreid liepen. Ik hoorde hem roepen in het donker. Voor één keer was ik niet degene die alles oploste. Toch had ik het achteraf liever anders gezien. Ik had meer vrijheid willen hebben. Voor mij hoefden die dieren niet allemaal. Soms denk ik: ik snap zelf niet hoe ik het allemaal heb gedaan.”

Pensioen
“Op mijn 59e stopten we met het boerenleven. We verkochten de boerderij aan onze zoon en verhuisden naar het dorp. Maar ook nadat Harry met pensioen ging veranderde er weinig. Hij vond steeds weer iets om zich mee bezig te houden: politiehonden, paarden, steeds iets nieuws dat hem van huis hield. Ik ging vaak mee naar trainingen, meer om niet alleen te zitten dan uit plezier. Samen iets doen, dat was er eigenlijk nooit bij. We hadden ieder ons eigen leven.” 

Terugkijken
Pas later, toen het meeste achter de rug was, voelde ik wat ik gemist heb. Ik heb van mijn kinderen niet echt kunnen genieten. Dat vind ik nog altijd jammer. Het werk ging altijd voor. Ik noemde mijzelf vaak een joker: altijd inzetbaar, altijd degene die het werk deed. Toch weet ik nu: het had anders gemoeten. Meer samen, minder dieren, meer tijd voor de kinderen. Het werk heeft veel van mijn leven bepaald. En juist daardoor ben ik voorbijgegaan aan wat ik het liefste had willen doen: mijn kinderen zien opgroeien, er echt van genieten.”

“Sinds Harry in 2007 overleed, ben ik alleen. Maar dat was ik eigenlijk al gewend. Ik heb mijn leven opgepakt, zoals ik dat altijd heb gedaan. Nu woon ik sinds 2021 hier naast mijn zoon. Alles is nieuw en iedereen is dichtbij. Ik hoef nergens meer achteraan. Elke dag wordt het eten gebracht, ik ga koffiedrinken in de buurt, handwerken met andere vrouwen, samen eten bij het voetbalveld. Het is fijn zo. Voor het eerst wordt er voor mij gezorgd. Het klinkt misschien gek, maar dat maakt deze tijd eigenlijk de mooiste van mijn leven.”

2 gedachten over “‘Tussen stal en stilte’

Voeg uw reactie toe

  1. Dankjewel voor dit mooie verhaal over deze sterke vrouw. Fijne tijd in Spanje! Carolien

    Like

  2. Een prachtige en realistische weergave van het leven zoals dat in die tijd werd geleefd. Velen van dezelfde leeftijd zullen zich hierin herkennen. Het staat haaks op de wijze waarop mensen nu in het leven staan in een maatschappij die vanuit het perspectief van toen onherkenbaar is.

    Groetjes,

    Martin ________________________________

    Like

Plaats een reactie

Maak een website of blog op WordPress.com

Omhoog ↑