Het is een zonnige najaarsdag. En best een hele klim om de wijk op de heuvel aan de rand van Parijs te kunnen bewonderen. De cappuccino is stevig aan de prijs, maar het café in art deco-stijl maakt een hoop goed. Tot 1860 is Montmartre een dorp op een heuvel, met windmolens, wijngaarden en moestuinen. Een plek waar de mensen elkaar kennen en hard werken om hun hoofd boven water te houden. Bij de stadsuitbreiding van Parijs is dit stukje ‘campagne’ grotendeels tot het 18e arrondissement van Parijs gemaakt. In de idyllische straatjes kruipt de klimop via het roze, witte of lichtblauwe stucwerk naar boven. Maar rond 1860 is er veel werkloosheid en de straten zijn vies. Het is dan nog moeilijk voor te stellen dat dit vanaf de jaren 1880 uitgroeit tot hét bruisende centrum, waar kunstenaars en artiesten naar toe trekken voor inspiratie en vermaak. En jong talent, zoals de schilder Suzanne Valadon, een kans krijgt om zich te laten zien en te ontwikkelen.
Cabaret
Het is de periode van de ‘Belle Epoque’, de tijd van culturele bloei en optimisme. Zo ontstaat hier het eerste moderne artistieke cabaret, Le Chat Noir. Avond aan avond zijn er voorstellingen, soms met een satirische ondertoon als aanklacht tegen de maatschappij, veel vaker ironisch en vol humor. In deze buurt wordt gedanst, gedronken en gefeest. De prachtig gedecoreerde affiches en posters met aankondigingen zijn eigenlijk heuse kunstwerkjes. Belangrijk ook voor de ontwikkeling van reclamecampagnes, zoals we die nu kennen. Ik bewonder ze in het Musée de Montmartre, dat wonder boven wonder door menig toerist wordt overgeslagen. De weelderige tuin, achter het entreegebouw, is het decor van verschillende schilderijen geweest, zoals bijvoorbeeld bij Renoir. Verschillende schilders hebben hier een atelier gehad.
Suzanne Valadon
In deze wijk groeit Marie-Clémentine Valadon op. Haar vader is niet meer in beeld en haar moeder probeert als wasvrouw de eindjes aan elkaar te knopen. Ze vindt werk als circusartiest, met haar acrobatische kunsten is zij een lust voor het oog. Maar daar komt door een noodlottige val uit de trapeze een eind aan. Ze ruilt het circus voor het witte (schilders)doek, als model zie je haar onder andere terug in de schilderijen van Pierre Renoir en Toulouse-Lautrec. Met hem krijgt zij een onstuimige korte liefdesrelatie, hij noemt haar Suzanne. Volgens de overlevering door het bijbelse verhaal over Susanna, die tijdens het baden bespied werd door twee oudere mannen. Als kind tekent ze veel en in deze periode ontwikkelt zij zich verder. Het uren zitten geeft haar alle tijd om een schilder en zijn werkwijze te observeren. Met als resultaat dat ze uiteindelijk zelf het penseel in de hand neemt. In het Musée de Montmartre, waar later ook haar zoon, Maurice Utrillo schildert, is haar atelier met historische foto’s en documenten nauwkeurig gereconstrueerd.
Atelier
Via een houten trap kom je op de bovenverdieping van het huis. Alles ademt de sfeer van het begin van de 20e eeuw. Aan de muur hangen verschillende werken, voorzien van haar handtekening. In de slaapkamer staat een eenpersoonsbed met een schildersezel. Achter een deur aan de rechterkant van de salon, schuilt haar schildersatelier. Het licht valt meteen op. De voorkant van de gevel bestaat grotendeels uit glas, dat doorloopt in een deel van het dak. Het lijkt alsof de verf op het palet nog maar nauwelijks is opgedroogd. Een scherm, waar je je achter kunt verkleden, tubes verf, en overal schilderijen of lijsten. Haar stijl kenmerkt zich door een bepaalde directheid.


Zo schildert ze in La Chambre Bleue geen standaard geïdealiseerd vrouwelijk naaktportret, maar een vrouw, liggend op bed in comfortabele kleding, met ontspannen uitdrukking, en een sigaret in haar mond. Ze lijkt volledig zichzelf te zijn en niet bezig met de ideale pose.

Carrière
Dat Suzanne in die tijd schildert is al een bijzonderheid op zich. Aan het begin van de 20e eeuw is een schilder of kunstenaar vooral een mannenberoep. Vrouwen uit de arbeidersklasse hebben in die tijd nauwelijks toegang tot kunstopleidingen, ateliers of expositiemogelijkheden. Maar Suzanne valt op. In 1894 hangen vijf van haar tekeningen in de ‘Salon de la Société nationale des beaux-arts’, een prestigieuze kunsttentoonstelling. En later, in 1915, krijgt ze hulp van de Joodse galeriehoudster Berthe Weill. Zij organiseert een solotentoonstelling met haar werk. Aan het begin van de jaren ‘20 trekt een heel aantal artiesten en kunstenaars naar het dan veel hippere Montparnasse. Maar Montmartre verliest zijn glans zeker niet. Zo blijft Suzanne deze plek trouw. Een groot deel van haar werk maakt ze op de heuvel, met prachtige vergezichten, trappetjes en doorkijkjes.
De dynamiek in de carrière van Suzanne vind ik bijzonder. Van een vrouw waarnaar gekeken wordt in het circus, en vanachter een schildersezel, groeit ze uit tot een vrouw die bepaalt waar ik naar kijk. Met alle indrukken en deze mooie gedachte in mijn hoofd, wandel ik de heuvel weer af. Suzanne laat mij nog niet los.
Ik verruil de kleine steile straatjes langzaam maar zeker voor bredere wegen. Het is druk. Met mensen die de weg zoeken, elektrische steps, deelfietsen, auto’s bussen, fruitstalletjes op de stoep, afgewisseld met hippe koffiecafés. En ik denk na over mijn eigen werk en ik herinner mij een mooi gesprek dat ik onlangs met een vriendin had. Over hoe ik de verhalen van zoveel mensen woorden heb gegeven, maar ook zelf een eigen geluid heb. Hoe zit dat eigenlijk, want wie bepaalt wat er in het verhaal komt, de geïnterviewde of de schrijver? Of allebei?
Geef een reactie