Ons Zeeuwen bin zonnug

Het is vandaag precies 80 jaar geleden dat Nijmegen gebombardeerd werd. Voor mijn boek ‘Lang zal ze leven’ interviewde ik Maria van Dijk op 103-jarige leeftijd. Ze dacht vaak terug aan het bombardement in Nijmegen, waar ze ternauwernood haar man terugvond nadat ze hun pasgeboren dochter in veiligheid had gebracht. 

Sinds vier jaar woont mevrouw Maria van Dijk (103) in een tweekamerappartement in een moderne Vinex-wijk in Amersfoort. Tot haar 99ste woont ze nog zelfstandig in het huis waar ze sinds 1952 woonde. Nadat haar man 33 jaar geleden overleed, is ze nooit meer hertrouwd. Nu zit ze in haar stoel bij het raam, de rollator bij de hand. Het lichaam wil niet zo veel meer, maar met haar hersenen is niets aan de hand. Op alle tafels staan fotolijstjes. Ondanks dat ze bijna niets meer ziet, weet ze precies welke foto waar staat. Haarscherp zijn haar herinneringen aan Zeeland, waar ze in 1913 geboren werd. De bombardementen van Middelburg en Nijmegen, maar ook haar gelukkige jeugd en de 40 jaar die ze met haar man doorbracht. Kostbare herinneringen waar ze elk moment van de dag op kan teruggrijpen en die haar de dag door helpen.

Goede stem
“Het huis waar ik met mijn ouders in Middelburg woonde, zie ik nog zo voor me. De lange opgang, dan de keuken en dan de voorkamer met mooie wit-groene blinden ervoor. Het was een groot huis en we sliepen met z’n drieën op een kamer, ieder in een eigen ledikant. We waren met z’n achten thuis. Ik was de vijfde. Een vrolijk kind, altijd aan het zingen en huppelend naar school. Mijn moeder was altijd in klederdracht, dat heeft ze tot haar dood volgehouden. Ik weet nog dat ik op een dag uit school kwam. Ze stond met een tasje klaar en zei: ‘Marie, wil je even een pond suuker halen?’ ‘Nee hoor, ik heb er geen zin in, laat An dat maar doen’, riep ik en vloog naar boven. Maar op mijn kamer dacht ik ineens: ‘nee, dat mag je niet tegen je moeder zeggen’. Dus ik rende naar beneden, pakte de tas en liep naar het kleine winkeltje van mevrouw Reuzenpoel. Alles werd er nog afgewogen. ‘Zo Marietje, ben je weer boodschappen aan het doen voor moeder?’ ‘Ja’, zei ik, ‘maar ik had er helemaal geen zin in’. ‘Aah’, zei ze, ‘blieft dat nou maar doen’. Later ben ik bij mijn vader te rade gegaan: ‘Hoe komt het toch dat ik altijd eerst zeg ‘ik doe het niet’ en later doe ik het wel?’ Vader zei: ‘Dat is nou de Heilige Geest waar Jezus over sprak; de goede stem in je’. Ik was toen een jaar of 10 en begreep er niets van, maar later werd het me duidelijk.”

Verliefd
“Een paar jaar later verhuisden we naar een huis aan het kanaal. Daar heb ik ook leren zwemmen en heb ik mijn man leren kennen. Het was heel bijzonder. Ik zat naast mijn zus, onze voeten bungelden in het water. Daar kwamen twee militairen in uniform aangefietst. ‘Dag dames’, zeiden ze. En ze fietsten door. Toen zei ik tegen mijn zus: ‘Kijk An, ze komen terug’. Ze stapten af en wij maakten een praatje. We waren ook wel knappe meisjes, dat durf ik rustig te zeggen. Maar die blik van mijn man naar mij en die van mij naar hem. Dat was onbeschrijflijk, het was in een keer raak. Maar als je verkering had, dan kwam zo’n jongen niet zomaar binnen hoor. Nee, je zei elkaar bij de voordeur goeiedag. Tot het op een dag ontzettend begon te gieten. Toen zei mijn moeder tegen mijn vader: ‘Michiel, haal die kinderen even binnen, want dit kan zo niet’. Dat was de eerste kennismaking en hij is altijd gebleven.”

Aan het werk
“De jongsten konden niet studeren, daar was geen geld voor. De ouderen moesten voor de kleinsten zorgen. Dus ik ging na de huishoudschool meteen aan het werk. In een zwart jurkje en een wit schortje moest ik de patiënten van tandarts Tiggelman in- en uitlaten. Ik sliep er ook, want je moest dag en nacht klaar staan. Je was eigenlijk ook een soort slavin van de vrouw van de tandarts. Die zat altijd mooi te wezen in de salon. ’s Avonds mocht je dan een paar uurtjes naar huis. Op een avond was mijn broer, die kapper was in Brussel, als verrassing thuisgekomen. ‘Morgenochtend heb ik een fotograaf geregeld’, zei hij. ‘We zijn dan als gezin helemaal compleet’. Toen ik weer naar de tandarts terugging, ben ik naar mevrouw in de salon gegaan. Ik vertelde haar over de fotograaf en dat ik erbij moest zijn. ‘Dat kan niet, je kunt niet gemist worden’, was haar antwoord. De volgende ochtend was ik heel zenuwachtig en stond mijn broer natuurlijk voor de deur. Hij stuurde me naar mevrouw om te zeggen dat ik mee moest. Ze zat weer keurig netjes in de salon. ‘Als je gaat, hoef je niet meer terug te komen’, zei ze. En ik ging. De hele familie stond met een serieuze, bedrukte blik op de foto. Behalve ik, ik was de enige met een lach op het gezicht. Later had ik nog een soortgelijk baantje. De dokter kwam aan de deur en vroeg moeder of ik kon komen werken. Ik wilde niet, maar had geen keus. Ik moest mevrouw helpen met koken. Mocht alles kopen wat ik wilde. ‘Ik kan niet koken’, probeerde ik nog. Het was vernederend zoals mevrouw mij behandelde. Mijn verloofde kon het op een dag niet meer aanzien en regelde een ander baantje voor me.”

Oorlogstijd
“Mijn vader was bakker, die reed met zo’n mooie bakkerskar. Hij verkocht ook Friese producten, dat was toen heel bijzonder. En Zeeuwse bolussen en zo. De oorlog brak uit en in mei 1940 heeft de burgemeester van Middelburg iedereen bevolen te evacueren. Dus gingen we met z’n allen in die bakkerskar naar Oostkerke, naar een boerengezin met drie kleine kinderen. We hebben niet gemerkt dat de historische binnenstad van Middelburg helemaal afbrandde. Ons huis stond aan de rand van de stad en bleef gespaard. In 1942 trouwde ik in de Oostkerk in Middelburg. We reden in een koets met witte paardjes ervoor.

De volgende dag vertrokken we naar Nijmegen, omdat mijn man daar moest werken. We hadden een prachtig huis, tegenover een boerderij. In de oorlog kreeg ik verse melk en groente van het land. Onze dochter Ria werd hier geboren. En toen dat bombardement. Ik had Ria net in haar wiegje gelegd en toen ineens hoorde ik die bommen. Ik vloog terug naar haar kamer, haalde haar uit bed en bracht haar naar de buren. ‘Ik ga mijn man zoeken’, riep ik nog. Hij zat bij de controledienst en had sinds 4 uur die nacht dienst op het station. De buren probeerden me nog tegen te houden. Ik ben via de achterkant van het huis de straat opgegaan. Het was er doodstil. Tot ik ineens voetstappen dichterbij hoorde komen. En ja hoor, dat was hem. We vielen elkaar in de armen. Allebei dachten we dat de ander er niet meer was. Dat was een ontmoeting die je je niet kunt voorstellen, zo bijzonder. Het huis was onherkenbaar beschadigd. Als ik vijf minuten later gevlucht was, was ik er niet meer geweest.”

“In 1952 werd mijn man overgeplaatst naar Amersfoort. We hebben daar jaren later ons 40-jarig jubileum gevierd. Niet lang daarna overleed hij. Hij was al met pensioen en deed veel werk voor de kerk en het bejaardentehuis. Het was slecht weer die dag toen hij op zijn fiets stapte. Ik zei nog ‘pak de auto’, maar nee, daar moest hij niets van weten. We zwaaiden nog naar elkaar, eerst achter en toen voor; dat deden we altijd. Niet veel later kreeg ik dat telefoontje. Hij was niet goed geworden en overleden. Ik was weken ontroostbaar. Uiteindelijk dacht ik ‘dit kan niet langer zo, ik moet er zijn voor mijn kinderen’. Daarna is er nooit meer een man in mijn leven gekomen. Ondanks dat ik wel de kans heb gehad. Maar ik taalde er niet naar. Ik denk nog iedere dag aan hem, en aan Zeeland. De gelukkigste tijd van mijn leven. Ik mis Zeeland nog altijd: de mensen, de zee en de zon die altijd schijnt. Ik zeg niet voor niets: ‘Ons Zeeuwen bin zonnug.’”

Een gedachte over “Ons Zeeuwen bin zonnug

Voeg uw reactie toe

Plaats een reactie

Maak een website of blog op WordPress.com

Omhoog ↑