Trouwring in een stuk zeep

De foto waarop Michette van Eijseren-Harder (89) als klein kind met haar moeder staat, is het enige wat haar herinnert aan het huis waar ze in Batavia geboren is. Haar Franse moeder werkt als receptioniste in Parijs wanneer zij haar vader tijdens zijn verlof in die stad ontmoet. Hij is stuurman bij de Koninklijke Pakketvaart Maatschappij (KPM red.) Als Nederlands-Indië niet veilig meer is voor mensen met een Nederlandse achtergrond, verhuist Michette in 1950 voorgoed naar Nederland. Ze woont in Amsterdam, Nijkerk en in Leusden, voordat ze uiteindelijk 22 jaar geleden in Duiven terecht komt. In een ruim hoekhuis, waar ze met een beetje hulp van haar rollator prima uit de voeten kan. Haar zoon en dochter staan altijd stand-by, waardoor zij zich nog prima zelfstandig redt. Misschien komt dat ook omdat ze tot op hoge leeftijd nog op de tennisbaan stond. 

Soerabaja
“Vlak voor de oorlog uitbrak ging ik naar school. Ik kwam in de klas bij mevrouw Spijer. Met links schrijven was uit den boze. Ik kreeg telkens een tik op mijn vingers als ik het toch deed. Lang duurde het niet; we moesten vluchten. Mijn vader voer met de boot naar Soerabaja terwijl mijn moeder, haar vriendin, mijn tante Gree en vijf kinderen, in een vrachtvliegtuig vanuit Singapore naar Soerabaja vlogen. Ik zie mijn moeder nog zitten met die spuugzak in haar hand. Ze was een zenuwachtig type, maar als ze moest handelen, dan deed ze dat. We kwamen in een tussenwoning in Soerabaja terecht, vlakbij de Womokromobrug. Ik moest meteen weer naar school. Dan zat je met een pan op je kop en een rubbertje tussen je tanden, als bescherming voor de bombardementen.” 

Op de vlucht
“Maar aan mijn schooltijd kwam al snel een eind. De Japanners zeiden dat we zo dom als een varken moesten blijven. Nu is een varken helemaal niet dom, maar ik moest wel van school af. Maar we hadden geluk, want tante Gree was onderwijzeres, dus mijn broer en ik kregen les van haar. De gevechten bij de Womokromobrug werden iedere dag heviger, dus moesten we weer op de vlucht. Toen mijn vader opgeroepen werd het leger in te gaan, moest mijn moeder het zonder hem zien te redden. We woonden overal en nergens. Achteraf denk je, wat was zo’n vrouw toch sterk. Na veel omzwervingen kwamen we uiteindelijk bij een andere zeemansvrouw in huis.”

Kloosterkamp
“Toen mijn vader terugkwam uit het leger, hadden we even een eigen huis, vlakbij de dierentuin in Soerabaja. Aan de overkant woonden Japanners, geen militairen maar mensen die om economische redenen daar woonden. Wij moesten er niks van hebben, maar zij kwamen steeds langs om onze telefoon te gebruiken. Toen ik 7 was werd mijn vader opgepakt. We mochten als familie nog een keer bij hem op bezoek. Hij sprak ons moed in terwijl er naast hem een gemartelde Indonesiër op de grond lag te sterven. Dat beeld vergeet je nooit meer. Mijn moeder, broer en ik werden niet veel later ook gevangengenomen en naar het Darmowijk-kamp gebracht. Van hieruit zijn we naar Semarang vervoerd, zonder eten en drinken. En uiteindelijk kwamen we bij een kloostercomplex terecht. Grote zalen, gevuld met houten britsen (bedden red.). Je had 70 centimeter voor jezelf. Mijn moeder had nog wat geld. Dat heeft mijn broer toen in een havermoutblik in de tuin van het klooster begraven, in de hoop het op een dag weer op te halen. De trouwring van mijn vader stopte ze in een stuk Palmolive-zeep. Iedere keer als we naar een ander kamp verhuisden vroeg ze ‘is het stuk zeep er nog?’”

Kampleven
“Na een tijd moesten alle jongens vanaf 10 jaar het kamp verlaten, dus ook mijn broer. In dit kamp zijn we lang gebleven. Het was eigenlijk een woonwijk met een hek eromheen. Er woonden wel duizend mensen. ’s Nachts moest mijn moeder wachtlopen, als een Japanner je riep, moest je direct komen en kreeg je een pak rammel. Ik was iedere ochtend weer blij als ik haar levend terug zag. We hadden vaak genoeg gezien dat mensen afgeranseld werden. Als je geen goede buiging maakte, dan werd je geslagen, je hoofd kaalgeschoren en je kreeg een klap op je kop met de tondeuse. Gelukkig hebben wij dat nooit meegemaakt. Later verhuisden we naar Halmaheira, weer een nieuw kamp. We hadden geen bed en sliepen op de grond. In de scheuren in de muur krioelde het van de wandluizen. Moeder werkte op het land, en ik moest beerputten legen en naar het land brengen. De maden kropen tegen de rand van de emmer omhoog. Uiteindelijk werd ik ‘ordonnans’, een hulpje in de keuken. Als een soort omroepster moest ik iedereen laten weten dat het etenstijd was. Een maaltijd van water en rijst.” 

Indonesische opstand
“Op een dag hoorden we vliegtuigen overvliegen. We hoorden dat de atoombom gevallen was en dat het vrede was. Vanaf dat moment waren de wreedheden door de Japanners voorbij, en moesten zij ons beschermen tegen de Bersiap (opstand van Indonesische verzetsstrijders). We gingen eerst terug naar het klooster in Gedangan om het blik met geld op te halen. Hier werden we ook herenigd met mijn broer. Die bleek tien minuten bij ons vandaan in het Bangkong-kamp te hebben gezeten. Buiten het kamp was het veel te gevaarlijk, dus gingen we naar een kamp van de Engelsen. Daar zaten militairen uit Nepal, de Ghurkas; zij beschermden ons. Omdat het nergens echt veilig was gingen we weer op transport. We reisden in een colonne en zaten met z’n tienen in een vrachtwagen. Mijn moeder vroeg of ik van plek wilde wisselen met een vrouw tegenover mij. Op dat moment vloog er een kogel langs mijn haar, zo naar die vrouw. Ze was op slag dood en al haar bloed zat op mijn knieën. Zo werden we steeds opnieuw door de Engelsen naar een andere plek gebracht. Uiteindelijk bereikten we de haven van Soerabaja. Daar kwamen we terecht in een soort gekkenhuis van gillende mensen. Met een boot werden we naar een marineschip gebracht, maar van mijn vader ontbrak nog ieder spoor. We kwamen aan in Singapore, mijn broer keek richting de kade en zag daar ineens mijn vader met een bord met daarop de naam ‘Harder’ zwaaien. Hij bleek al die tijd in Singapore te hebben gezeten. Van hieruit zijn we met de Nieuw Amsterdam terug naar Nederland gevaren.”

Nederland
“In Amsterdam schreeuwden mensen vanaf de kade: ‘Heb je een apie voor mij meegenomen?’ Of heb je bloembollen gegeten? De Nederlanders hadden geen idee van waar wij vandaan kwamen. Alle kinderen uit Nederlands-Indië gingen naar een overbrugginsschool vanwege de leerachterstanden. Voor de Hollandse kinderen waren wij een bezienswaardigheid, want als er muziek klonk stonden wij te dansen. “Kom kijken, de apen zijn uit”, riepen ze dan. Na drie maanden moest mijn vader terug naar Nederlands-Indië om te werken. In 1947 leek de rust teruggekeerd en reisden we met z’n allen naar Batavia. Maar na een tijd sloeg de sfeer in het land weer om. Als ik naar school liep werd ik regelmatig gevolgd door twee Indonesische jongens. Als ik er wat van zei dan kreeg je een opsodemieter. Mijn moeder werd bang. Ik kreeg een schoenendoos naar mijn hoofd gegooid als ik ook maar iets te laat thuiskwam. Ze leed er echt onder, dus zijn we in 1950 definitief naar Nederland verhuisd.”

“In Amsterdam heb ik de HBS en de vormschool gedaan en stond ik in de Jordaan als kleuterjuf voor de klas. Een geweldige tijd vond ik dat. Ik trouwde op mijn 22e met een vriend van mijn broer. Ze zaten samen op de zeevaartschool. Er kwam meteen een einde aan mijn tijd als kleuterjuf. Heel jammer, maar je had geen keus. Ik heb mij de rest van mijn leven op mijn familie, huwelijk en onze twee kinderen gestort. Mijn man verloor zijn moeder toen hij zes was, en zijn vader is vermoord toen hij aan de Brimaspoorweg werkte. Mijn familie was dus ook echt zijn familie. In de jaren ’70 hebben we Amsterdam achter ons gelaten voor Nijkerk en inmiddels woon ik alweer 22 jaar in Duiven. Tot mijn 77e heb ik heel fanatiek getennist, maar ook zonder dat vermaak ik mij nog altijd prima.”

6 gedachten over “Trouwring in een stuk zeep

Voeg uw reactie toe

    1. Wat fijn dat u uw verhaal heeft willen doen. Bedankt daarvoor.
      Ik herken er veel in van mijn moeders verhalen die ik heb opgenomen in
      mijn roman Buigen & Regenbogen opdat meer mensen deze geschiedenis leren kennen en er hopelijk iets van zullen leren.
      Liefs en alle goeds
      Leonie Bouwman, Nijkerk

      Like

  1. Lieve Claske, ook deze keer krijg ik een warm gevoel van herkenning bij het verhaal van Michette van Eijseren -Harder. Zij is 6 jaar ouder dan ik en heeft de oorlogstijd veel bewuster meegemaakt.

    Like

  2. Ha lieve Claske, wat weer een prachtig verhaal! Wat een veerkracht heeft deze vrouw,als je zoveel meemaakt en het goede er uit  te halen chaupoo. Verzonden vanaf mijn Galaxy

    Like

  3. Hoi Claske,

    Ik ben heel erg trots op mijn moeder!
    Wat een ‘prachtig’ verhaal heb je geschreven, dank je wel🥰
    Mijn moeder is het verhaal aan het lezen nu, ze is er heel blij mee.

    Like

Plaats een reactie

Maak een website of blog op WordPress.com

Omhoog ↑