Bamboehekken met prikkeldraad 

Aan de Bobeldijk in Berkhout staat een monumentale stolpboerderij uit circa 1860. Deze wordt verbouwd door de zoon van mevrouw Caty Bartstra (92). Nu haar man is overleden heeft ze zelf haar intrek genomen in de verbouwde en gerenoveerde voormalige schuur, aan de zijkant van het huis. Door al het houtwerk en door het interieur doet het er knus aan. Caty kan zichzelf nog goed redden en geniet samen met haar kat van haar nieuwe optrekje. Ze werd in 1930 in Batavia geboren en zat samen met haar moeder, broer en zus in kamp Kramat. Een vrouwenkamp in de gelijknamige wijk waar Caty woonde. 

Buiten spelen 
“Het huis waar ik geboren ben, herinner ik mij niet meer en ken ik alleen van de foto’s. Maar van het latere huis aan de Kramatlaan in Batavia weet ik nog heel veel. Aan het einde van de straat kwam je bij de Cilliwung rivier. Als kind ging ik graag mijn eigen gang en trok nauwelijks op met mijn twee jaar jongere broer of zes jaar jongere zus. Mijn broer zeurde dat hij graag een broertje wilde, maar kreeg uiteindelijk toch weer een zusje. Dit zusje was mongoloïde, maar dat zag ik niet. Voor mij was ze gewoon een kind, of eigenlijk een baby. Ze stierf nog voor de oorlog uitbrak. Voor mijn moeder voelde dat alsof er een stuk uit haar gerukt was. Heel naar. We hadden een groot ‘Europees’ huis met een veranda en een zitje ervoor. De tuin was prachtig met verschillende platanen en orchideeën en een grote boom. Achter het huis woonde de kebon (tuinman) met zijn vrouw. En we hadden ook een baboe tjoetji, die de was deed. Ik kwam graag bij de tuinman, de kebon, en at soms met hem en zijn vrouw mee. Rijst en gedroogde vis. Mijn moeder was daar nooit zo blij mee. ‘De kebon moest het zelf opeten’, zei ze dan. Het huis en de tuin waren volledig ommuurd. Mijn vader had een goede baan als ambtenaar bij economische zaken. Hij had ook een auto waarmee hij mij naar school bracht. Ik ging naar de Carpentier Alting School, een van de betere scholen in Nederlands-Indië.” 


Oorlogsliedjes 
“Veel vriendinnen had ik niet. We woonden ver van school, en ik was net als mijn moeder nogal teruggetrokken. Ik liep graag in overalls, klom in bomen en op daken. Ik kon slecht tegen de warmte, dus reed mijn vader ons in de weekenden vaak naar een groot landhuis van een neef, met twee fonteinen ervoor. Daar liepen ook panters en tokehs, van die hele grote hagedissen. Als je te dichtbij kwam, zetten ze een enorme kam op, heel angstaanjagend was dat. Van de oorlog merkte je heel geleidelijk steeds meer. Voor mij begon dat met de jongens uit de buurt die liedjes zongen met teksten als ‘Azië voor de Aziaten’. Ik mocht ook niet meer naar school. Mijn moeder was onderwijzeres en gaf ons en andere kinderen les. Op een dag heeft mijn vader het archief van het departement waar hij voor werkte, vernietigd. Ik werd er wakker van, en hij zei dat ik er met niemand over mocht praten. Ik begreep het allemaal niet zo. Hij werd al aan het begin van de oorlog opgepakt. Wij ontvingen een brief dat we met een koffer naar een Japans interneringskamp moesten. We zaten daar met z’n vieren in een kamer. In het begin kon je het kamp nog uit. Je moest dan wel voor de kampbewaarders buigen.” 

Kampleven 
“In het tweede kamp, Tjideng, ging het er wel anders aan toe. Daar deelden we met z’n achten een kamer. We hadden geen school meer dus je had eigenlijk niks te doen. Ik deed voor 10 mensen de was, ze zagen mij daardoor aan voor de baboe, heel gek was dat. Het kwam ook regelmatig voor dat je op appel moest staan voor het huis. Dan stond je uren in de brandende zon. Mijn moeder hield dat niet vol, zij werd regelmatig in het ziekenhuis opgenomen. Daardoor was het voor mij een erg gespannen toestand waarin ik volledig op mezelf werd teruggeworpen. Er was niemand die mij en  mijn zusje kon beschermen en ondertussen werd ik ook verantwoordelijk gemaakt voor het corvee van mijn moeder. De Japanners die in het kamp rondliepen vond ik eng, dus ik zorgde wel dat ik op afstand bleef. Dat was maar goed ook, want met enige regelmaat verdwenen er jonge meisjes naar het bordeel. Na drie jaar kwam de bevrijding op gang, dat was ook een gekke situatie. De Japanners kregen de opdracht om ons te beschermen en ervoor te zorgen dat de Indonesiërs ons niet zouden vermoorden. Het kamp had bamboehekken met prikkeldraad en toen kwamen ook de voedseldroppings op gang. We kregen allerlei legervoedsel, wit brood, blikken met puree, dat hadden we in geen jaren gezien. De Japanners werden vervangen door de Indische Engelsen, de Gurka’s. Ook daar zaten types tussen die hun handen maar moeilijk thuis konden houden. De gymnastiekleraar was er zo een. Toen hij mij te grazen wilde nemen, deed ik of ik krankzinnig was. Dat hielp, want hij liet mij gaan. Ik hield iedereen op afstand en ben er daardoor ook ongeschonden doorheen gekomen.” 

Naar Nederland 
“Op een dag kwamen mijn vader en broer, in een veel te groot legertenue, ons kamp binnen. Mijn broer bleek gelukkig al een tijd samen met mijn vader te zijn. Toen wij herenigd werden, ging het met mijn moeder steeds slechter. Zij woog nog maar 40 kilo en was helemaal uitgemergeld. We werden rechtstreeks naar met hospitaalschip vervoerd waarmee we naar Nederland voeren. Op dat schip zaten ook militairen, waaronder Jan van Es, een slagerszoon uit Os. Ik was inmiddels vijftien en zag hem wel zitten. Én de vlam sloeg over. Ik beloofde hem in Nederland op te zoeken, maar daar kwam niks van terecht. Via een kennis van mijn vader uit het Japanse kamp, gingen we in Bloemendaal wonen. Daar moest ik ook weer naar school. Mijn vader, die een half jaar later overleed, regelde dat ik in de derde van het gymnasium terechtkwam. Hij vond dat je voor het hoogst haalbare moest gaan en zelf maar moest uitzoeken hoe je dat vervolgens deed. Maar ik had door de oorlog natuurlijk een enorme achterstand. Dat gymnasium was geen succes, dus stapte ik over naar de hbs op de montessori-afdeling van het Kennemer Lyceum. De meisjes kregen toen nog les in handwerken, zoals breien. Daar vond ik niks aan, dus vroeg ik of ik met de jongens mee mocht doen. En dat mocht, dus heb ik leren koper slaan. Met de hakken over de sloot heb ik in vier jaar mijn hbs-diploma gehaald.”  

Studeren 
“Door de dood van mijn vader kwam mijn moeder er helemaal alleen voor te staan. Drie kinderen en een onzekere financiële situatie. Ik vind het nog steeds bewonderenswaardig hoe zij zich staande hield en in Heemstede een huis liet bouwen. Net na de oorlog was dat echt heel lastig. Na de hbs heb ik twee jaar op de universiteit gezeten. Ik wilde arts worden, maar dat ging niet. Achteraf gezien lijkt het erop alsof ik door alles wat ik meegemaakt had, mijn hoofd niets meer kon opnemen. Ik ben overgestapt naar de academie voor lichamelijke opvoeding en opgeleid tot wat we nu fysiotherapeut noemen. Daar ben ik uiteindelijk kostwinner mee geworden. Ik verhuisde naar Amsterdam en daar ontmoette ik ook mijn man, Douwe. We wilden graag samen op reis, maar dan moesten we wel eerst trouwen. Douwe studeerde nog en ik had net mijn eerste baan. De familie zag het huwelijk in eerste instantie helemaal niet zitten maar we deden het toch. We kochten voor een habbekrats een oud brik, waar eerst nog het nodige aan gesleuteld moest worden. Uiteindelijk hebben we een hele reis door Europa gemaakt. Het was de ultieme relatietest. Maar we kregen vier kinderen en zijn uiteindelijk 70 jaar samen geweest.”  

“In Amsterdam woonden we in een pakhuis, tot Douwe geelzucht kreeg. Hij was doodziek en wilde toch wel graag de stad uit. We verhuisden naar Middelie, een schattig dorp vlakbij Edam. Maar dat huis werd te klein toen we meer kinderen kregen, dus zijn we in 1964 hier terechtgekomen. De boerderij had  een voormalige kaasmakerij. We hebben het helemaal gerestaureerd en nu is het een beschermd monument. Ik woon heerlijk in de voormalige schuur en heb het helemaal verbouwd. Het  was een krakkemikkig gebouw. Ik had altijd al het plan om hierin te trekken, maar mijn man zag dat destijds niet zo zitten. Hij overleed in 2016, en nu woont onze oudste zoon als een soort mantelzorger, met zijn gezin in de boerderij. Een prachtige plek om oud te worden.”  

2 gedachten over “Bamboehekken met prikkeldraad 

Voeg uw reactie toe

  1. Dankjewel Claske voor dit mooie verhaal. Wat een krachtige vrouw is Caty, zoals ze zich door veel problemen heeft heengeslagen.
    Hartelijke groet, Kees

    Like

Plaats een reactie

Maak een website of blog op WordPress.com

Omhoog ↑